De Wet bevordering gelijkwaardig ouderschap en zorgvuldige scheiding welke sinds 1 maart 2009 geldt, ziet toe op het recht van het kind op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. Dit is vastgelegd in artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek.

Gelijkwaardig ouderschap brengt een fiftyfifty verdeling met zich mee, mits geen praktische bezwaren aan de uitvoering daarvan in de weg staan. Deze praktische bezwaren zien op het belang van het kind en zijn afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, zoals het aantal uren dat de ouders werken, schooltijden van de kinderen en de zorgverdeling ten tijde van het huwelijk of de samenleving. Deze wet dient ter bestrijding van de situatie dat de niet-verzorgende ouder genoegen moet nemen met een beperkte omgangsregeling.

Wanneer er door ouders geen ouderschapsplan kan worden overeengekomen, kan de rechtbank een zorgregeling vaststellen. Uitgangspunt moet dan zijn dat beide ouders gelijke rechten hebben op verzorging van de kinderen, waarbij het belang van het kind steeds voorop staat. Dat volgt immers uit de wet.

De Hoge Raad heeft echter bepaald dat de in de wet bepaalde gelijkwaardigheid van ouders niet altijd een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met zich meebrengt, als gevolg waarvan de rechtspraak het recht op een gelijke (fiftyfifty) verdeling op losse schroeven zette.

In een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 juli 2016 (waarin ondergetekende de man bijstond) werd namens de man bepleit dat de man op grond van artikel 1:247 BW het recht had om minder uren te gaan werken teneinde na de scheiding zijn zorgtaken voor de kinderen uit te kunnen voeren. Het gerechtshof gaf de man hierin gelijk en bepaalde dat het feit dat zijn inkomen zou dalen omdat hij minder zou gaan werken, niet als verwijtbaar inkomensverlies had te gelden. Daarom werd zijn lagere inkomen tot uitgangspunt genomen bij de berekening van zijn draagkracht voor de bepaling van kinder- en partneralimentatie. Normaal gesproken kan een rechter immers bepalen dat inkomensverlies verwijtbaar is, waardoor met dit inkomensverlies bij de berekening van de draagkracht voor alimentatie geen rekening wordt gehouden.

Met deze uitspraak bevestigt het hof dat het recht op gelijkwaardige verzorging en opvoeding zodanig reikt, dat het de niet-verzorgende ouder toegestaan moet zijn minder te gaan werken om meer voor de kinderen te kunnen zorgen, zonder dat de inkomensdaling welke dat met zich meebrengt, hem wordt aangerekend bij de vaststelling van kinder- en partneralimentatie.