In procedures voor de burgerlijke rechter speelt bewijs een belangrijke rol. Maar wanneer moet de ene partij nu bewijs leveren en wanneer de andere? En wanneer hoeft dat helemaal niet? Wat houdt stelplicht en bewijslast in?

Het bewijsrecht is een belangrijk leerstuk in het burgerlijk procesrecht. Artikelen 149 en 150 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) vormen hiervan de kern. Men vat die artikelen nogal eens misleidend samen als “wie stelt, moet bewijzen“. Die samenvatting zet je echter op het verkeerde been.

casus: Bert krijgt zijn uitgeleende geld niet terug

Laten we allereerst een casus schetsen. Bert en Arie zijn goede vrienden. Arie zit in geldnood en vraagt of hij duizend euro van Bert kan lenen. Bert zegt dat hij dat goed vindt, maar ook al zijn ze vrienden, hij wil de afspraken dan wel graag op papier zetten. Ze stellen een overeenkomst van geldlening op waarin staat dat Arie duizend euro van Bert leent en dat Arie dit binnen een jaar na ondertekening van de overeenkomst moet terugbetalen. Bert maakt vervolgens de duizend euro over naar de bankrekening van Arie. Een dag later belt Bert Arie op en zegt dat hij eigenlijk wel een rentevergoeding over de lening wil afspreken, namelijk tien euro per maand. Arie gaat hiermee akkoord en stort maandelijks tien euro op de rekening van Bert met als omschrijving “rente”.

Een paar maanden later wordt Bert op een dag verlaten door zijn vrouw. Arie komt bij Bert langs om hem te steunen. Die avond drinken Bert en Arie veel alcohol. Aan het einde van de avond kunnen zij allebei niet meer recht op hun benen staan. In al zijn emotie en dronkenschap zegt Bert tegen Arie dat hij de steun van zijn vriend zo waardeert, dat hij het uitgeleende bedrag van duizend euro niet meer hoeft terug te betalen en dat hij de schuld dus kwijtscheldt. Wel moet Arie alle maanden de rente blijven betalen. De volgende dag en de dagen daarna praten Bert en Arie hier verder niet meer over.

Enkele maanden later blijkt de reden dat de vrouw van Bert hem verlaten heeft, te zijn dat zij een relatie was begonnen met Arie. Dit betekent per direct het einde van de jarenlange vriendschap tussen Bert en Arie. Arie betaalt vanaf dit moment ook niet meer maandelijks het bedrag van tien euro aan rente.

Een jaar nadat Bert zijn geld aan Arie heeft uitgeleend, laat Bert aan Arie weten het geld terug te willen. Arie reageert stomverbaasd en herinnert Bert eraan dat hij de schuld had kwijtgescholden. Uiteindelijk komen Arie en Bert er samen niet uit en gaan naar de rechter.

het hart van het bewijsrecht: artikelen 149 en 150 Rv

Als gezegd wordt de kern van het civiele bewijsrecht gevormd door de artikelen 149 en 150 Rv. Het belangrijkste deel van artikel 149 (lid 1) Rv luidt als volgt:

“Feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, moet de rechter als vaststaand beschouwen, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen (…).”

Het belangrijkste deel van artikel 150 Rv luidt als volgt:

“De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten (…).”

Allereerst is van belang vast te stellen wat het woord ‘bewijslast’ inhoudt. Dat is tamelijk eenvoudig: degene die de bewijslast draagt, is degene die moet bewijzen. Wie is dat nu dan precies? Artikel 150 Rv zegt: “de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten”. Dus niet:”wie stelt”, maar “de partij die zich beroept op rechtsgevolgen”.

Uit artikel 149 Rv is vervolgens te halen dat de rechter gestelde feiten als vaststaand beschouwt als die door de wederpartij niet (voldoende) zijn betwist. Met andere woorden: dan hoeft er geen bewijs meer geleverd te worden.

Waar het dus eigenlijk op neer komt (en wat een betere parafrasering van het artikel zou zijn) is dat de partij die zich beroept op een rechtsgevolg, de feiten die die daartoe moeten leiden moet stellen en indien die feiten door de wederpartij worden betwist, die feiten zal moeten bewijzen.

Een rechtsgevolg is, kort gezegd, het gevolg dat bijvoorbeeld de wet of een overeenkomst eraan verbindt als iemand iets wel of niet doet. Dit blijkt wel als we teruggaan naar de casus van Bert en Arie.

Bert wil zijn geld terug: hoe loopt het af?

Terug naar de casus. Als gezegd heeft Bert duizend euro uitgeleend aan Arie en wil zijn geld terug. Zij hebben in een schriftelijke overeenkomst vastgelegd dat Arie het geld uiterlijk een jaar na het uitlenen moet terugbetalen. Ook hebben ze afgesproken dat Arie maandelijks tien euro rente zou betalen, wat hij enkele maanden niet heeft gedaan. Het rechtsgevolg waarop Bert aldus doelt, is dat Arie wordt veroordeeld de duizend euro en de achterstallige rente te betalen. Bert zal dus bij de rechter de volgende feiten moeten stellen:

  1. dat hij duizend euro aan Arie heeft uitgeleend;
  2. dat hij met Arie heeft afgesproken dat Arie dit geld op of voor een bepaalde datum aan Bert zou terugbetalen;
  3. dat hij met Arie heeft afgesproken dat Arie maandelijks tien euro rente zou betalen;
  4. dat Arie het de duizend euro niet conform afspraak heeft terugbetaald en ook een aantal maanden de rente niet heeft betaald.

Het zal voor Arie niet erg zinvol zijn om punt 1 te betwisten, nu Bert dit immers eenvoudig kan bewijzen met het bankafschrift waarop staat dat het geld is overgemaakt. Bert hoeft dat bewijsstuk echter niet per se aan de rechter te laten zien als Arie niet ontkent het geld ontvangen te hebben. Ontkent Arie wel, dan moet Bert het bewijsstuk wel indienen.

Punt 2 kan Bert eveneens op zichzelf eenvoudig bewijzen, want hij heeft immers een schriftelijke overeenkomst van geldlening. Echter, Arie heeft een verweer: Bert heeft hem de schuld kwijtgescholden. Bert betwist dit. Als Arie dit verweer voert, beroept hij zich ook op een rechtsgevolg, immers dat hij Bert niet meer hoeft te betalen. Dat betekent dat als Arie dit verweer voert, hij het door hem gestelde feit dat de schuld is kwijtgescholden, zal moeten bewijzen, omdat Bert het immers betwist. Dit bewijs zal voor Arie moeilijk te leveren zijn; er iets niets op schrift gezet en er waren geen getuigen. Arie zal er vermoedelijk niet in slagen dit bewijs te leveren.

Punt 3 zal Arie kunnen betwisten, nu deze afspraak immers alleen telefonisch is gemaakt en daar geen getuigen bij aanwezig waren. Voor Bert zal dit onderdeel van de afspraken dus lastiger te bewijzen zijn. Echter: in alle maanden tot de ruzie heeft Arie wel duidelijk iedere maand tien euro overgemaakt met omschrijving “rente”. Dat gegeven is in ieder geval een middel waarmee Bert het bestaan van de afspraak kan bewijzen.

bewijsmiddelen en bewijswaardering: geen exacte wetenschap

In de casus wordt gesproken over bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen zijn bijvoorbeeld het bankafschrift waaruit blijkt dat het geld is overgemaakt en de schriftelijke overeenkomst. Een bewijsmiddel is in beginsel natuurlijk ook de verklaring van Arie dat Bert hem de schuld heeft kwijtgescholden. Een bewijsmiddel is voorts het bankoverzicht waaruit blijkt dat Arie een aantal maanden tien euro naar Bert heeft overgemaakt met omschrijving “rente”.

Uit het voorgaande moge duidelijk zijn, dat de bewijskracht van de bewijsmiddelen uiteen kan lopen. Uiteindelijk is het aan de rechter het geleverde bewijs te waarderen. De rechter moet op basis van de beschikbare bewijsmiddelen vaststellen of hij meent dat het bewijs van een bepaalde stelling geleverd is of niet. Soms moeten bewijsmiddelen daartoe in onderlinge samenhang worden beschouwd. Van bepaalde bewijsmiddelen bepaalt de wet dat die een bepaalde bewijskracht hebben. Zo levert een schriftelijke ondertekende overeenkomst in principe dwingend bewijs op. Dat kan echter weer anders zijn indien de andere partij de stelling inneemt dat de handtekening onder die overeenkomst niet door hem gezet is. Een getuigenverklaring van iemand die zelf partij is bij een procedure, heeft geringe bewijskracht; zo’n verklaring kan in beginsel alleen dienen als aanvullend bewijs.

Zoals uit het voorgaande moge blijken, is het bewijsrecht allerminst een exacte wetenschap. Niet alleen bevat de wet veel regels en zijn in de rechtspraak nog meer regels ontwikkeld, maar er bestaat ook altijd nog de meer subjectieve component van bewijswaardering door de rechter.

afsluiting

In dit artikel heb ik met een eenvoudige casus getracht de kern van het civiele bewijsrecht uiteen te zetten. Deze casus is eenvoudig, maar die kern is onverkort van toepassing op veel ingewikkeldere zaken. Ditzelfde gegeven komt bijvoorbeeld terug indien twee ondernemers met elkaar een overeenkomst sluiten tot het leveren en het bedienen van een ingewikkelde technische installatie en de afnemer van die installatie stelt dat de installatie een bepaald gebrek kent wat door de leverancier wordt betwist.

Voordat een procedure bij de rechtbank wordt gestart, is derhalve van belang dat de bewijsrechtelijke positie goed bepaald kan worden. En juist om die reden is het van belang zoveel mogelijk schriftelijk te communiceren en afspraken schriftelijk vast te leggen, zodat er, mocht er uiteindelijk geprocedeerd moeten worden, geen bewijsnood ontstaat.