Loondoorbetaling en herstel arbeidsovereenkomst. Bij arrest van 13 maart 2020 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechter die oordeelt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst dient te herstellen, in dezelfde uitspraak ook een loondoorbetalingsverzoek dient toe te wijzen. Het feitelijk overgaan tot herstel van de arbeidsovereenkomst door de werkgever is daarvoor niet nodig.

Het komt op het volgende neer. Een rechter kan als hij de werkgever tot herstel veroordeelt, bepalen dat de werkgever het loon dient door te betalen. Onder loon valt dan ook de vakantiebijslag, overige toeslagen en emolumenten.

de casus en het verloop van de procedure

Aan dit arrest liggen de volgende feiten ten grondslag.

De werknemer is in 1991 in dienst getreden bij de werkgever in de functie ‘magazijnbeheerder / bediende’.

Op de arbeidsovereenkomst was onder meer de interne beleidslijn ‘regeling alcohol- en drugsbeleid’ van toepassing. Nadat de werknemer in 2015 al een waarschuwing had gekregen omdat hij in strijd met de regeling had gehandeld door onder invloed van alcohol op het werk te verschijnen en vervolgens op 17 maart 2016 wederom onder invloed van alcohol op het werk was verschenen, is hij op die dag op staande voet ontslagen; door deze opzegging is de arbeidsovereenkomst op die dag geëindigd.

Vervolgens heeft de werknemer bij de kantonrechter verzocht om vernietiging van het ontslag op staande voet. Ook heeft de werknemer de kantonrechter hierbij verzocht te bepalen dat de werkgever is gehouden het loon te betalen, althans, voor zover herstel van de arbeidsovereenkomst niet mogelijk zou zijn, om een billijke vergoeding van vergoeding van EUR 40.000 en een transitievergoeding van EUR 41.215.

De kantonrechter heeft de verzoeken afgewezen omdat naar het van de kantonrechter sprake was van ernstig verwijtbaar handelen door de werknemer, zodat de werkgever de arbeidsovereenkomst op goede grond op staande voet had ontslagen. Dit oordeel is door het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 17 januari 2017 bekrachtigd. Vervolgens heeft de werknemer cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.

Bij arrest van 30 maart 2018 heeft de Hoge Raad de beschikking van 17 januari 2017 van het gerechtshof Den Haag vernietigd. Hij heeft de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam die op 11 december 2018 uitspraak heeft gedaan.

het oordeel van het gerechtshof Amsterdam: vernietiging van het ontslag op staande voet

Het gerechtshof Amsterdam oordeelt als volgt. Er is geen dringende reden voor het ontslag op staande voet van de werknemer geweest. De kantonrechter had daarom het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet moeten toewijzen.

Nu de werknemer naar het oordeel van het gerechtshof Amsterdam terecht om vernietiging van het ontslag op staande voet heeft verzocht, wijst het hof ook het verzoek van de werknemer tot herstel van de arbeidsovereenkomst toe. Het gerechtshof oordeelt dat 17 maart 2016 de datum van het herstel is (de dag van het gegeven ontslag op staande voet).

Het verzoek van de werknemer aan het gerechtshof om ook te bepalen dat de werkgever het loon, de vakantiebijslag en overige toeslagen en emolumenten (met terugwerkende kracht) dient te betalen, is naar het oordeel van het gerechtshof echter niet toewijsbaar. Daartoe overweegt het gerechtshof dat de veroordeling van de werkgever om tot herstel van de arbeidsovereenkomst over te gaan ertoe leidt dat de werkgever de overeenkomst eerst dient te herstellen alvorens de werknemer aanspraak kan maken op doorbetaling van het loon.

Hoge Raad: loondoorbetaling en herstel arbeidsovereenkomst

Tegen de beschikking van 11 december 2018 van het gerechtshof Amsterdam hebben zowel de werkgever als de werknemer cassatieberoep ingesteld. De werkgever heeft als eerst cassatieberoep ingesteld (het principale beroep). De werknemer heeft vervolgens zelf ook cassatieberoep ingesteld (het incidentele cassatieberoep).

Bij arrest van 13 maart 2020 oordeelt de Hoge Raad als volgt. De Hoge Raad verwerpt de klachten van de werkgever, zodat het principale cassatieberoep niet slaagt. Dat is anders voor wat betreft de stellingen die de werknemer tegen de beschikking van het gerechtshof in het beroepschrift heeft ingenomen.

De werknemer heeft namelijk (onder meer) gesteld dat het gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat een rechter die oordeelt dat de werkgever een arbeidsovereenkomst moet herstellen, geen veroordeling tot betaling van loon kan uitspreken zolang de werkgever de arbeidsovereenkomst niet daadwerkelijk heeft hersteld. Die overweging is in de visie van de werknemer onjuist, zodat het gerechtshof in de visie van de werknemer onterecht niet het loondoorbetalingsverzoek heeft toegewezen.

De Hoge Raad is het hiermee eens. Indien de rechter ervoor kiest om niet zelf de arbeidsovereenkomst te herstellen, maar om de werkgever te veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst over te gaan, kan hij, indien de werknemer daarom verzoekt, in dezelfde uitspraak de werkgever veroordelen tot betaling van het na herstel verschuldigde loon (alsmede tot betaling van vakantietoeslag, overige toeslagen en emolumenten, de wettelijke verhoging en wettelijke rente) vanaf de datum met ingang waarvan de arbeidsovereenkomst moet worden hersteld. Hieruit blijkt dat het gerechtshof Amsterdam van een onjuiste opvatting van het recht is uitgegaan, waardoor het cassatieberoep dat door de werknemer is ingesteld, slaagt.

De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam. Een gerechtshof zal de zaak daarom nu voor een derde maal behandelen.

tot slot

Mocht u naar aanleiding van dit artikel vragen hebben of advies willen inwinnen, aarzel dan niet om vrijblijvend contact op te nemen met onze specialisten.