De grondslag voor partneralimentatie is (en blijft, ook onder de nieuwe wetgeving vanaf 1 januari 2020) de lotsverbondenheid. Partneralimentatie wordt voldaan ter vereffening van economische nadelen die het gevolg zijn van het huwelijk, de taakverdeling daarbinnen en/of van de zorg voor kinderen na de echtscheiding. Deze lotsverbondenheid tijdens het huwelijk vertaalt zich in een partneralimentatie na het huwelijk.

Partneralimentatie wordt berekend aan de hand van twee wettelijke maatstaven: enerzijds de behoefte van de alimentatiegerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige. De behoefte van de alimentatiegerechtigde wordt berekend op basis van de welstand die partijen tijdens het huwelijk hebben gehad.

wat is verbleking van de behoefte?

In de jurisprudentie en literatuur wordt er regelmatig van uitgegaan dat de behoefte aan partneralimentatie door het verstrijken van een bepaalde periode zou kunnen verbleken. Als sprake is van verbleking van de behoefte kan niet langer de welstand ten tijde van het huwelijk de maatstaf vormen voor het vaststellen van de behoefte. De behoefte wordt dan bepaald op basis van de welstand direct voorafgaand aan het verzoek waarin een vaststelling of wijziging van de partneralimentatie wordt verzocht. Als dit uitgangspunt wordt gehanteerd, wordt de behoefte vastgesteld op een bedrag waar de alimentatiegerechtigde op dat moment van leeft en dus niet op basis van de welstand die partijen tijdens het huwelijk hadden.

Hoge Raad: behoefte verbleekt niet enkel door tijdsverloop

De rechtspraak in Nederland was op dit punt enigszins verdeeld. In een uitspraak van de Hoge Raad van 9 maart 2018 deed zich een situatie voor waarin een beroep werd gedaan op de verbleking van de behoefte. In de voorliggende zaak hebben partijen in 2005 in hun echtscheidingsconvenant afspraken gemaakt over de behoefte van de vrouw op basis van de welstand van partijen tijdens het huwelijk. De man voldeed inmiddels al enkele jaren geen bijdrage meer in de kosten van haar levensonderhoud. De vrouw verzoekt in deze procedure weer vaststelling een bijdrage op basis van de afspraken zoals vastgelegd in het echtscheidingsconvenant. De man stelde in deze procedure dat de behoefte van de vrouw is verbleekt en dat niet meer kan worden gerekend met de ten tijde van de echtscheidingsprocedure vastgestelde behoefte. De vrouw heeft immers de afgelopen jaren in de kosten van haar levensonderhoud kunnen voorzien, terwijl de man geen bijdrage meer voldeed. Het Hof Arnhem-Leeuwarden concludeerde dat van een verbleking van de behoefte geen sprake kan zijn. De man stelde hierna cassatie in, hetgeen leidde tot het de uitspraak van de Hoge Raad van 9 maart 2018.

De conclusie van de advocaat-generaal (hetgeen te zien is als een belangrijk advies aan de Hoge Raad) luidt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat-generaal concludeert dat het uitgangspunt dat de huwelijksgerelateerde behoefte enkel door tijdsverloop afneemt, zich niet verdraagt met de vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Deze vaste rechtspraak houdt immers in dat bij de vaststelling van de behoefte rekening moet worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval. Het hof heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de vrouw – doordat de man is opgehouden met betalen – haar uitgavenpatroon zo heeft moeten bijstellen dat zij met haar lagere inkomen en vermogen in haar levensonderhoud kon voorzien, niet meebrengt dat haar huidige behoefte niet meer overeenkomt met de huwelijksgerelateerde behoefte. Dit oordeel is volgens de advocaat-generaal niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad heeft het advies van de advocaat-generaal gevolgd.

wel afname lotsverbondenheid door tijdsverloop

Alleen tijdsverloop na de echtscheiding is dus niet bepalend voor de vaststelling van de behoefte. Daarbij wordt opgemerkt dat tijdsverloop wel als relevante bijkomende omstandigheid kan gelden. In de jurisprudentie waar een beroep op de verbleking van de behoefte wordt afgewezen, worden de behoeftigheid van de onderhoudsgerechtigde en de verdiencapaciteit van die partner in de meeste gevallen ook beoordeeld. Van een alimentatiegerechtigde wordt namelijk verwacht dat hij of zij op termijn (weer) een eigen inkomen kan genereren. Ook in de jurisprudentie wordt regelmatig herhaald dat de lotsverbondenheid wel afneemt, zodra meer tijd verstrijkt na de echtscheiding. Over het algemeen geldt dus dat naarmate partijen langer uit elkaar zijn steeds meer van de alimentatiegerechtigde verlangd mag worden dat hij/zij zich (meer) zal inspannen om in de eigen kosten van levensonderhoud te gaan voorzien.

conclusie

De conclusie is dat de behoefte niet kan verbleken door alleen tijdsverloop. Door tijdsverloop wordt echter wel steeds meer van ex-partners verwacht. Het uitgangspunt is dat een volwassene in beginsel in staat moet zijn in ieder geval op termijn (voor een gedeelte) in het eigen levensonderhoud te voorzien. De nieuwe wetgeving ten aanzien van partneralimentatie met de verkorting van de termijn die vanaf 1 januari 2020 gaat gelden, is in lijn met dit uitgangspunt.

meer informatie?

Heeft u verdere vragen, neem dan gerust vrijblijvend contact op met ons kantoor en vraag naar een van onze familierechtadvocaten. U kunt te allen tijde terecht voor meer informatie en het maken van een afspraak voor een kennismakingsgesprek.