De werkgever is geen transitievergoeding verschuldigd bij ontslag van een AOW-gerechtigde werknemer.

De Hoge Raad heeft op 20 april 2018 geoordeeld dat dit niet in strijd is met de Europese richtlijn over leeftijdsdiscriminatie.

Transitievergoeding

Op grond van de Wet werk en zekerheid (Wwz) komt aan iedere werknemer in geval van ontslag een transitievergoeding toe indien de arbeidsovereenkomst tenminste 24 maanden heeft geduurd en de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt. In de Wwz is tevens opgenomen dat geen transitievergoeding is verschuldigd als de arbeidsovereenkomst niet wordt voorgezet in verband met het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Europese richtlijn (Richtlijn 2000/78/EG)

De vraag die de Hoge Raad heeft beantwoord is of de wettelijk bepaling in de Wwz in strijd is met het verboden onderscheid naar leeftijd zoals vastgesteld in de Europese richtlijn. Hoewel er direct onderscheid wordt gemaakt op grond van leeftijd, betreft het geen verboden onderscheid, zo oordeelt de Hoge Raad. De Hoge Raad geeft aan dat verschillen in de behandeling op grond van leeftijd geen verboden discriminatie opleveren indien de verschillen objectief en redelijk zijn, een legitiem doel dienen en passend zijn.

Ter onderbouwing geeft de Hoge Raad het volgende aan. De transitievergoeding is in hoofdzaak bedoeld om het vinden van een andere baan te vereenvoudigen. De vergoeding geldt voor de ‘transitie’ van de vorige naar de volgende arbeidsovereenkomst. Daarnaast dient de transitievergoeding ook als compensatie voor ontslag, waarin tevens de zorgplicht van een werkgever voor de ontslagen werknemer is verdisconteerd.

De bedoeling van de wetgever is een transitievergoeding toe te kennen aan werknemers die voor hun inkomsten afhankelijk zijn van arbeid. Indien een werknemer niet meer is aangewezen op arbeid, vervalt daarmee ook de zorgplicht van de werkgever. De zorgplicht gaat dus niet zo ver dat een AOW-gerechtigde werknemer een transitievergoeding zou moeten ontvangen. Er behoeft immers geen werk meer te worden verricht om in het levensonderhoud te kunnen voorzien.

De Hoge Raad overweegt voorts dat de bedoeling van de wetgever is geweest het ontslagrecht te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken voor werkgevers. Dit is een legitiem doel, aldus de Hoge Raad. Betaling van een transitievergoeding aan AOW-gerechtigde werknemers strookt niet met dit doel.

Dit betekent dat ook geen toetsing in individuele gevallen behoeft plaats te vinden. Niet beoordeeld behoeft te worden of, ondanks de uitzondering in de Wwz dat aan een AOW-gerechtigde geen transitievergoeding toekomt, er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan toch een transitievergoeding moet worden toegekend.

De Hoge Raad concludeert dat de bepaling in de Wwz niet in strijd is met de richtlijn. Er is geen verboden onderscheid, de regel is objectief en redelijk en dient een legitiem doel en de wettelijke regel is passend. Er is aldus geen plaats voor een individuele toetsing.