Een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding partneralimentatie te voldoen aan de wederpartij, kan om diverse redenen eindigen. Hierbij valt onder meer te denken aan de situatie dat de alimentatiegerechtigde opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

Wanneer is er echter sprake van een ‘samenleving met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren’? De wet geeft op dit punt geen duidelijkheid; het begrip is moeilijk scherp te bepalen. Dit heeft ertoe geleid dat in de rechtspraak een aantal criteria geformuleerd zijn.

criteria rechtspraak

Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren is vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en die ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Of aan alle voornoemde criteria wordt voldaan in een bepaalde situatie, hangt steeds af van alle omstandigheden van het geval.

In de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 26 juni 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:1923) werd geoordeeld dat de vrouw samenleeft met haar nieuwe partner als ware zij gehuwd. De duurzame affectieve relatie was tussen de procespartijen niet in geschil, zodat het hof daarvan uitgaat. Voor wat betreft de overige criteria het volgende.

De man had een recherchebureau ingeschakeld en de vrouw en haar nieuwe partner door twee rechercheurs laten observeren gedurende drie  langere  periodes. Diverse malen is door deze rechercheurs gezien dat de nieuwe partner van de vrouw kwam aanrijden met de auto, uit de auto stapte en de woning van de vrouw binnenging. Ook is gezien dat deze nieuwe partner in de woning van de vrouw verbleef en hier ook geregeld bleef overnachten. Het hof heeft voorts in aanmerking genomen dat het waterverbruik in de woning van de nieuwe partner van de vrouw ver beneden het landelijk gebruik voor een alleenstaande ligt en dat dit verbruik de afgelopen jaren ook gedaald is, terwijl het waterverbruik van de vrouw juist is gestegen. Ook is het hof gebleken dat de nieuwe partner van de vrouw een sleutel van haar woning heeft, onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden verricht aan de auto van de vrouw, hij haar computer in de woning gebruikt en twee zomervakanties met haar heeft doorgebracht. Al deze bevindingen in onderling verband en gezamenlijk beschouwd, oordeelt het hof dat tussen de vrouw en haar nieuwe partner sprake is van een relatie welke gelijkgesteld kan worden met samenwoning.

Wat betreft de gemeenschappelijke huishouding en de wederzijdse verzorging, zoekt het hof aansluiting bij de jurisprudentie van de Hoge Raad. Daaruit blijkt dat van de bedoelde huishouding en verzorging onder meer sprake is als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Niet vereist is dat van een financiële verstrengeling van beide inkomens gebleken is. Een ‘in elkaars verzorging voorzien’ kan ook worden aangenomen als sprake is van een taakverdeling tussen de samenwonenden. De vrouw heeft het hof te kennen gegeven de boodschappen te doen en te koken als zij samen met haar nieuwe partner eet en de rechercheurs van het recherchebureau hebben waargenomen dat de nieuwe partner van de vrouw de auto van de vrouw poetst en stofzuigt. Deze nieuwe partner heeft het hof desgevraagd te kennen gegeven dat wanneer hij bij de vrouw overnacht, hij bij haar doucht en bij haar ontbijt. Het hof acht aannemelijk dat hij dan ook gebruik maakt van de voorzieningen van de vrouw zoals bedengoed, handdoeken en bewassing, alsmede eet en drinkt van hetgeen de vrouw in huis heeft. Aldus is er sprake van een zeker mate van verzorging. Verder neemt het hof onder meer in aanmerking dat de man en haar nieuwe partner samen hun hobby motorrijden beoefenen, zij samen met de kinderen van de vrouw op vakantie gaan en gezamenlijk een diploma-uitreiking van een kind van de vrouw bezocht hebben. Alle bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, leiden tot het oordeel van het hof dat de vrouw en haar nieuwe partner zodanig op elkaar betrokken zijn en dat zij hun dagelijkse levens zodanig hebben geïntegreerd dat voldoende aannemelijk is dat er van een zekere mate van wederzijdse verzorging tussen beiden sprake is en dat een en ander kan worden gekwalificeerd als het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en een wederzijdse verzorging tussen de vrouw en haar nieuwe partner.

beëindiging van rechtswege

Als in rechte eenmaal is komen vast te staan dat er sprake is van een samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren, dan eindigt de onderhoudsplicht van rechtswege definitief. Bijzondere omstandigheden kunnen volgens de Hoge Raad niet maken dat de onderhoudsverplichting overeind blijft.

Wel kunnen partijen bij echtscheiding zijn overeengekomen dat de alimentatieverplichting niet (direct) eindigt als de onderhoudsgerechtigde gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

bewijsproblemen

Indien de alimentatieplichtige zich erop wil beroepen dat de alimentatieverplichting aan de wederpartij eindigt doordat deze is gaan samenwonen, dan brengt dit vaak de nodige bewijsproblemen met zich mee. Onze familierechtadvocaten kunnen echter de benodigde ondersteuning bieden. Om de rechter te overtuigen dat de alimentatieverplichting van rechtswege is geëindigd, kan onder meer gebruik gemaakt worden van getuigenverklaringen, een rapport van een recherchebureau en bewijsstukken van het watergebruik in de woning van de alimentatiegerechtigde.